reünie

Het plein was rechthoekig, gekoolgruisd het midden in een lijst van keien. Een enorme doode heester, en anders niet, op de verkoolde aarde, de muziektent. Drie hooge wallen van huizen, glas meer dan steen, smal glas tusschen smaller steen, de ramenvolte van armoehuizen. De wallen waren nauwelijks gescheiden door de smalle tochtgaten, spuigaten der verkeerswegen. Kleine groepen stonden fladderend, hier en daar, over het groote plein. De vierde wal was het enkel geelgrauw gesausd blok van het gebouw met den molmen daktoren en het uurwerk van verbleekt goud. Lekken traanden vuil over zijn gevels.

Zo wordt de school beschreven waar De Bree lesgeeft, de hoofdpersoon uit Bordewijks Bint. De herinnering aan het gebouw van mijn middelbare school is vriendelijker, maar toch toog ik er gisteren met enige schroom naartoe. Ik ging namelijk naar een reünie. Zo’n bijeenkomst waar je mensen ziet die je twintig jaar niet gezien hebt en van wie je denkt: “wat heb ik jullie na al die tijd nog te vertellen?” Maar goed, ik was natuurlijk wel nieuwsgierig.

Het was nog leuk ook. Sommige klasgenoten waren niets veranderd. Die kon ik dan ook maar met moeite zien als mensen van 37 met een carrière en/of kinderen. Die waren gewoon achttien en net klaar met het gymnasium. De tijd had geen pas voorwaarts gezet. Ik had mijn baard gelukkig als bewijs dat ik wel degelijk twintig jaar ouder ben dan toen. Nadeel daarvan is dat vrijwel iedereen quasi-ongemerkt naar je naamstickertje kijkt en dan pas zegt: “Hee Jan hoe is het met jou?”

Grappig en onverwacht: na de aanvangsschuchterheid voelde het met de meesten vertrouwd. Da’s raar hoor: je ziet mensen twintig jaar niet, en dan blijken die zes jaren die je daarvoor wél gedeeld hebt, toch een behoorlijke band gesmeed te hebben. Ook bijzonder: de populariteitsranglijsten van vroeger bestaan nu niet meer. Misschien vond ik dat nog wel het opvallendste. Stond ik gewoon te praten met het meisje dat me vroeger niet zag staan omdat ze bij de populaire zittenblijvers hoorde.

Over twintig jaar ga ik weer. En dan kan ik mijn klasgenoten niet alleen bijpraten over carrière en relatie, maar vast ook over kinderen (hoewel: de ouders onder ons waren maar wat jaloers op het vrije leventje dat ik volgens hen heb, ik met mijn onbekommerde LAT-relatie).